Stel je voor.
Het is het jaar 1698. Je bent negentien jaar oud. Misschien werk je als dagloner in Amsterdam. Misschien kom je uit een arm gezin waar het geld nooit lang in de beurs blijft. Of misschien ben je wees en probeer je al jaren op eigen kracht rond te komen.
Werk is er niet altijd. En als het er is, betaalt het vaak slecht.
Op een ochtend loop je door de drukke straten richting het Oost-Indisch Huis van de VOC. Binnen zitten klerken achter grote houten tafels. Overal hoor je stemmen van mannen die zich aanmelden voor een reis naar Azië.
De klerk kijkt op van zijn papieren.
"Matroos?" vraagt hij.
Je knikt.
Hij schuift een document naar voren en noemt het loon. Tien gulden per maand. Kost en inwoning inbegrepen. Misschien zelfs een voorschot voor je familie thuis.
Het klinkt als een kans.
Natuurlijk weet je dat de reis gevaarlijk is. Iedereen kent wel iemand die nooit is teruggekeerd uit Oost-Indië. Scheurbuik, stormen, ziekte, schipbreuk. Maar tegelijkertijd lonkt de wereld buiten de horizon.
Batavia. Ceylon. Kaap de Goede Hoop.
Plaatsen die je alleen kent van verhalen in de haven.
Je zet je naam onder het contract.
Een paar weken later sta je tussen honderden andere mannen op de kade. Achter je ligt Nederland. Voor je ligt een reis die jaren kan duren.
En nu komt de vraag die iedere nieuwe matroos zich stelde:
Is tien gulden per maand eigenlijk veel geld?
Laten we eens kijken wat een VOC-matroos werkelijk verdiende.
Wanneer we vandaag een VOC-duit in onze hand houden, vergeten we gemakkelijk dat dit ooit écht geld was. Geen verzamelobject. Geen museumstuk. Maar loon. Misschien heeft een vermoeide matroos precies zo'n munt ontvangen na maanden werken op zee. Na stormen, scheurbuik, slapeloze nachten en eindeloze wachten op het dek.
Maar hoeveel verdiende zo'n man eigenlijk? En hoe verhoudt zijn loon zich tot dat van een kapitein, een chirurgijn of de machtige VOC zelf?
Om dat te begrijpen moeten we eerst aan boord stappen van een retourschip dat rond 1700 uit Amsterdam vertrekt.
Wat verdiende een gewone VOC-matroos?
Een doorsnee matroos verdiende doorgaans tussen de 9 en 11 gulden per maand. Dat lijkt weinig, maar kost en inwoning waren inbegrepen. Voor veel arme arbeiders aan wal was een baan bij de VOC daarom aantrekkelijk genoeg om zich aan te melden.
Toch werd niemand rijk van dit salaris.
Een reis naar Azië en terug duurde vaak anderhalf tot twee jaar. Een matroos die gedurende die periode in dienst bleef, kon uiteindelijk ongeveer 180 tot 220 gulden aan loon opbouwen.
Dat was een aanzienlijk bedrag voor een eenvoudige arbeider, maar daar stond tegenover dat duizenden mannen de reis niet eens overleefden.
Wat verdienden de andere mensen aan boord?
Zoals op ieder bedrijf kende ook een VOC-schip een duidelijke hiërarchie.
| Functie | Maandloon (ongeveer) |
|---|---|
| Scheepsjongen | 5 – 7 gulden |
| Soldaat | 8 – 10 gulden |
| Matroos | 9 – 11 gulden |
| Timmerman | 12 – 18 gulden |
| Bootsman | 18 – 25 gulden |
| Stuurman | 30 – 60 gulden |
| Chirurgijn | 30 – 60 gulden |
| Opperkoopman | 60 – 100+ gulden |
| Kapitein / schipper | 60 – 80+ gulden |
De echte rijkdom zat echter niet altijd in het salaris. Hogere officieren konden profiteren van bonussen, toelagen en soms toegestane privéhandel. Daardoor lag hun werkelijke inkomen vaak aanzienlijk hoger dan hun officiële loon.
Wat kon je kopen van een maandloon?
Een matroos met 10 gulden per maand kon niet luxueus leven.
Maar om het in perspectief te plaatsen:
- 200 liter bier: Bier was de absolute volksdrank. Een liter eenvoudige scharrebiert of dun bier in de tavernes kostte destijds ongeveer 1 stuiver per kan.
- 100 grote roggebroden: Brood was het basisvoedsel aan de wal. Een flink roggebrood van een kilo kostte in die periode zo'n 2 stuivers.
- 40 pond mals rundvlees: Vers vlees was aan boord een absolute zeldzaamheid. Aan de wal kostte een pond rundvlees zo'n 5 stuivers, een echte luxe voor de matroos.
- Één degelijke linnen matrozenbroek: Kleding was handwerk en duur. Een stevige, simpele werkbroek van linnen of lakenstof kostte al gauw een dikke 8 tot 10 gulden.
- Twee paar stevige, handgemaakte leren schoenen: Goed schoeisel was essentieel. Een eenvoudige schoenmaker vroeg zo'n 5 gulden (100 stuivers) voor een paar degelijke stappers.
- Een maandhuur voor een kleine Amsterdamse kamer: Een matroos met een achtergebleven gezin was zijn hele maandsalaris kwijt aan de sobere huur van een kelder- of kamerwoning in de Jordaan.
-
30 pond romige Hollandse boter: Zuivel was een gewild product. Een pond goede boter kostte destijds rond de 6 tot 7 stuivers (circa ⅓ gulden).
Het addertje onder het gras
Wat kostte een VOC-reis?
Nu wordt het interessant.
Stel je een groot retourschip voor dat Amsterdam verlaat.
Voordat het schip überhaupt de haven uitvaart heeft de VOC al enorme kosten gemaakt:
- bouw van het schip;
- bewapening;
- zeilen en touwwerk;
- voedselvoorraden;
- soldij van de bemanning;
- handelszilver voor aankopen in Azië.
Een groot retourschip vertegenwoordigde een waarde van vele tienduizenden guldens.
Daarnaast werd vaak een aanzienlijk bedrag aan zilver meegenomen naar Azië. Europese producten waren daar minder gewild dan edelmetaal. Met dat zilver werden specerijen, thee, zijde en porselein aangekocht.
Hoe verdiende de VOC haar geld?
De magie zat in het prijsverschil.
Specerijen die in Azië werden gekocht, konden in Europa soms voor een veelvoud worden verkocht.
Een lading kon bestaan uit:
- peper;
- kruidnagel;
- nootmuskaat;
- kaneel;
- zijde;
- thee;
- Japans en Chinees porselein.
Wanneer het schip veilig terugkeerde, kon de opbrengst vele malen hoger liggen dan de oorspronkelijke aankoopwaarde.
Bij succesvolle reizen waren rendementen van honderden procenten geen uitzondering. Dat enorme verschil maakte de VOC tot één van de rijkste ondernemingen uit de wereldgeschiedenis.

Maar de risico's waren gigantisch
Het moderne beeld van de VOC is vaak dat van een geldmachine.
De werkelijkheid was ingewikkelder.
Schepen konden:
- vergaan in stormen;
- stranden op riffen;
- worden aangevallen;
- ten prooi vallen aan ziekte-uitbraken.
Wanneer een schip verloren ging, kon een investering van vele tienduizenden guldens in één klap verdwijnen.
Voor de bemanning waren de gevolgen nog directer. In sommige gevallen verviel zelfs het recht op loon wanneer een schip verloren ging.
De kleine munt achter het grote verhaal
En hier komen we weer uit bij die eenvoudige VOC-duit.
Voor de compagnie was het een klein onderdeel van een wereldwijd handelsimperium.
Voor een matroos kon het echter het resultaat zijn van weken hard werken. Van zeilen hijsen in een storm. Van uren pompen in een lekkend schip. Van maanden zonder vers fruit. Van een reis naar het einde van de bekende wereld.
Juist daarom zijn VOC-munten vandaag zoveel meer dan oude koperen schijfjes.
Ze vormen een tastbare verbinding met de mannen die de handel mogelijk maakten. Niet met de bewindhebbers in Amsterdam, maar met de matrozen, soldaten, koks, timmerlieden en chirurgijns die maandenlang op zee leefden om de Republieken haar kooplieden rijk te maken.
Ontdek VOC-munten bij Antiekhuys
Bij Antiekhuys vindt u regelmatig originele VOC-duiten en andere historische munten uit de tijd van de Nederlandse Gouden Eeuw.

